Als er iemand doodgaat, dan bezie je de wereld lange tijd anders. Mensen die ver weg leken, zijn ineens dichtbij. Vreemden hebben overeenkomsten die je nooit eerder zag. Het bekijken van de wereld gaat met een vergrootglas en met distantie tegelijkertijd. Toen het uitraakte met D. had ik een beetje hetzelfde, en toen ik het afgelopen jaar moest toegeven dat ik wederom toch wel weer erg worstel met school, gingen er ook dingen veranderen. Mensen van wie ik het niet verwachtte, bleken compassievol te zijn (andersom was er ook iemand die het juist had moeten zijn, die het niet was, maar misschien moet ik die dwaasheid bij haar laten) en een nieuwe docent ging er zo heerlijk nuchter mee om, dat ik dat zelf ook een beetje werd. [een beetje.]
Toen ik vandaag een stichting belde die meditaties verzorgt, kreeg ik een man aan de lijn die volkomen begripvol was toen ik verklaarde het eigenlijk niet te kunnen betalen. Hij zei: we geven er niet echt ruchtbaarheid aan, maar er bestaat een soort steunfonds en daar kun je uiteraard een beroep op doen. Ik zei hem maar niet dat ik geen werk heb omdat ik zo worstel met school en dat ik zo worstel met school omdat ik zo worstel met mezelf. Maar ik geloof ook niet dat dat echt hoefde: er is een onverwacht en oneindig begrip bij mensen om me heen. Ik voel me een slappeling, maar ik voel me ook bevoorrecht.
Gister in de bus, vroeg ik op mijn Renske-manier aan een buschauffeur waarom hij de voordeur niet opendeed toen mensen wilden instappen. Hij reageerde vijandig, zei iets als: heb je een probleem? Antwoord gaf hij niet.
Een vrouw die naast mij zat, legde mij met ongelooflijk geduld uit dat het wellicht niet aardig van hem was, maar dat het ongetwijfeld aangewakkerd werd omdat ik niet neutraal vroeg waarom die deur niet openging, maar dat ik eerst zei dat het niet erg handig was. Daarmee had ik de situatie al negatief geschetst voor de chauffeur. Daarna vroeg ze, alsof ze de aandacht af wilde leiden van mijn eigen onhandigheid, wat ik ging doen, en wat ik leuk vind aan dirigeren. Alsof ik de dag weer opnieuw kon beginnen. En dat probeerde ik ook.
Als je als kind gepest wordt, is het moeilijk om de mensheid niet te gaan zien als een grote vijandige groep. De doorbraak dat iedereen een individu is, en dat ieder individu zijn (on)wijsheid heeft, is er nog elke dag. Ook dat is een voorrecht, en dan vooral dat die mensen de tijd voor me willen nemen. Deze gedachte is ook prettig: dat die vrouw dat misschien zo goed weet, omdat ze daar zelf ook tegenaan is gelopen. Dat is troostend. Ze lijkt op mij. Of ze leek op mij.
Het doet me een beetje denken aan die dag dat ik voor het eerst een bril opzette: ineens viel mij op hoeveel mensen er eigenlijk rondliepen met een bril op.
Overigens is dat ook de enige keer geweest dat ik werd uitgescholden voor mijn bril omdat ik door de Amsterdamse Poort liep, mijn bril op- en afzettend om te vergelijken hoe anders dat toch was. (een aantal jaren later, toen ik contactlenzen ging dragen, kwam een klasgenootje overigens op een lumineuze woordspeling op mijn naam: 'Lenske')
Subscribe to:
Post Comments (Atom)
No comments:
Post a Comment